In een grimmige waaier komt agressie op ons af: intimidatie, huiselijk geweld, ontslag voor klokkenluiders, pesten, discriminatie, incest, verkrachting, emotionele verwaarlozing, eerwraak, dodelijke overvallen, school shootings, (zelf)moordaanslagen, enzovoorts. Agressie wil schaamte lozen – zie deze webpagina – en zorgt vervolgens, dikwijls doelbewust, voor intense schaamte-ervaringen bij anderen. De keerzijde van agressie is het stilzwijgen: het ontkennen (loochenen) en verstoppen van de schaamte-ervaringen in de doofpot. Het loochenen van schaamte geschiedt in de hoop dat de pijnlijke schaamtegevoelens doven.

    Schaamte is een complex sociaal-emotioneel fenomeen met een krachtige uitwerking. We realiseren ons onvoldoende dat zowel achter die agressie als de doofpot een oerverlangen verscholen gaat: het verlangen naar geborgenheid. We verlangen koestering. Schaamte bedreigt onze behoefte erbij te horen. Schaamte bedreigt onze fundamentele behoefte aan waardering.  Bij een opeenstapeling van schaamte-ervaringen wordt dikwijls de aanval de beste verdediging. Kortom, de agressor roept vrijwel altijd: ‘Koester mij! Bewonder mij! Ik wil mij geborgen weten!’ Of in één woord, zo dikwijls gehoord: Respect! – hierover uitgebreider op voornoemde webpagina.

    HELD of HUFTER / De roep om geborgenheid zál en móét invulling krijgen: kwaadschiks, zoals de waaier van agressie kenbaar maakt, maar het kán ook goedschiks. We onderkennen dit nauwelijks, ook al is er wel degelijk nadrukkelijk op gewezen. De populaire theoloog John Bradshaw buigt zich gefascineerd over het meest paradoxale van schaamte,  ‘that it is the core motivator of the superachieved and the underachieved, the star and the scapegoat, the righteous and the wretched, the powerful and the pathetic.’ Schaamte blijkt evenzeer een uiterst krachtige generator te kunnen zijn van ambities en zodoende van prestaties. Met prestaties trachten we respect af te dwingen en zorgen vervolgens voor de broodnodige bewondering, koestering en geborgenheid. Juist ook met prestaties kunnen we schaamte lozen, al zijn we geneigd om over de voedingsbodem – schaamte-ervaringen – te zwijgen en die in de doofpot te stoppen. We schamen ons voor de opgelopen schaamte-ervaringen.

    Veel vaker dan wij beseffen ligt aan het opmerkelijke presteren een opeenstapeling van schaamte-ervaringen ten grondslag, zoals bij Roald Dahl, Coco Chanel, Alan Turing, George Simenon, Andreas Burnier, V. S. Naipaul, Toon Hermans, Barbra Streisand, Winston Churchill, Lord Snowdon (Anthony Charles Robert Armstrong-Jones), Ingmar Bergman, John le Carré, Franz Kafka, Bruce Springsteen, Edith Piaf, Tina Turner, Barry en Sandra Hay, Henry James, koning George VI, Pieter Heerema én Lillian B. Rubin. Zo groots als deze mensen presteerden, hoeft natuurlijk niet om een acceptabel leven te (leren) leiden.

    We zijn zo wel bij de kern: naar welke kant duwen onze schaamte-ervaringen ons? En waarom of waardoor? Worden we held of hufter? Naar welke zijde kantelen we: dwingen we respect af door prestaties of door geweld? Wordt het een jihad of de marechaussee? Wordt het een bomgordel of een dissertatie? De sociologe en psychotherapeute Lillian Rubin (1924-2014) was een van de weinige onderzoekers die zich in dit kantelen verdiepte. Zij werd hiertoe aangezet door de brute vernederingen die zowel haar broer als zij opdeden in hun jeugd en met zich meenamen hun volwassen leven in. Haar broer was die last te zwaar en ging door de knieën, terwijl Lilian zich uiteindelijk wist te ontwikkelen tot een internationaal vermaard wetenschapper.

    schaamtelozen.nl - reddish 009 [1] - foto Aart G. BroekOPSTAAN / Hoe is het mogelijk dat iemand in de opeenstapeling van pijnlijke schaamte-ervaringen toch wegen weet te vinden naar een bevredigend volwassen leven? Rubin realiseerde zich dat ons handelen wordt beïnvloed door onze genetische bagage. Zij benadrukte echter – in haar boek The transcendent child (1996) – dat ons DNA toch echt onvoldoende verklaart ‘waarom sommige mensen zeven keer vallen en acht keer opstaan’.
    Het is geen doen om op reguliere wijze onderzoek te verrichten naar dit fenomeen. Geen enquêtes of experimenten, Rubin neemt haar toevlucht tot diepte-interviews. Zij tekent geen wedergeboortes of bovennatuurlijke openbaringen (al wil een ‘god’ voor die of gene nog wel eens een rol van belang spelen). Op grond van haar gesprekken komen er enkele constanten naar voren, die het aannemelijk maken dat die bij het ‘opstaan’ hoogstnoodzakelijk zijn. Dit tweetal springt eruit: het vermogen zich mentaal voor de vernederingen af te sluiten én de aanwezigheid van iemand die bescherming van enigerlei aard biedt. Voor die laatste hebben we geen mooie Nederlandse term, maar wel een Engelse benaming: significant other;  naar het psychische vermogen wordt wel verwezen met de term ‘depersonalisatie’ (al legt dit de nadruk teveel op het afweermechanisme als een psychiatrische stoornis).
    Rubin geeft indringende voorbeelden van beide. Wie zijn ogen en oren ervoor open stelt, zal die zelf ook tegenkomen. Astrid Holleeder – de zus van de vermaarde topcrimineel – groeide op onder de gewelddadige handen van haar vader: ‘De mishandelingen thuis waren dagelijkse routine. Ik wist niet beter. Iedere dag, ieder uur van de dag alert zijn, op je hoede. Het hield nooit op.’ Het ‘overlevingsmechanisme’ dat zij in haar jeugd inzette, tekent die mentale ontkoppeling: ‘ik ging “achter mijn ogen zitten”. Ik was lijfelijk aanwezig maar geestelijk afwezig, als ik uit mezelf was getreden en alles van een afstandje aanschouwde.’

    schaamtelozen.nl - foto Aart G. Broek - palmblad [3]Mark Vagheluwe werd vanaf zijn vijfde tot zijn negentiende misbruikt door zijn oom die bisschop van Brugge, België, was. Mark tekent de gevangenis van aanhoudende vernederingen in een lange brief aan de paus. Hierin komt ook het mentaal (b)uit(en)sluiten voorbij: ‘[Mijn oom] had me in een versmachtende wurggreep, zodat ik haast stikte. Hij nam bezit van mijn lichaam en geest. Ik kreeg geen adem meer en stikte, traag maar zeker onder het stinkend, behaard en vettig lichaam. Ik onderging het gewoon en sloot me af van de buitenwereld. Ik deed gewoon alsof ik er niet bij was.’
    Wanneer onder geweld van vuistslagen en verkrachting er op een gegeven moment toch nog iemand is, die iets van bescherming kan bieden, bijvoorbeeld door vertrouwen te tonen in wie je bent en wat je kunt, dan komt er houvast om zich langzaam maar zeker aan op te trekken. Voor – de toen jonge tiener – Astrid Holleeder komt die met een Amsterdamse basketbalvereniging: ‘Ik was dag en nacht in de sporthal te vinden en was daar continu met een bal bezig. Door die oefening groeide ik al snel uit tot een speelster die belangrijk was voor het team. Ik werd gewaardeerd en dat stimuleerde me om nog beter te worden. Ik wilde nog meer waardering. Ik kreeg er geen genoeg van.’

    J.D. Vance groeit op bij wat ‘white trash’ wordt genoemd: blanken die tot de laagste sociaal-economische groepen behoren en hun status als ‘afval’ wordt gekarakteriseerd. Vance ontsnapt uit die ruige, vernederende omgeving dankzij Mamaw, zijn grootmoeder. ‘Thanks to Mamaw, I never saw only the worst of what our community offered and I believe that saved me. There was always a safe place and a loving embrace if ever I needed it. Our neighbors’ kids couldn’t say the same. […] That was the essence of Mamaw’s genius. She didn’t just preach and cuss and demand. […] Mamaw’s home offered me not just a short-term haven but also hope for a better life.’

    schaamtelozen.nl - greyish 003 - foto Aart G. BroekSIGNIFICANT OTHER / Als rolmodellen faalden ouders, kerkelijk leiders en tal van andere gezaghebbende personen; Rubin, Holleeder, Vangheluwe, Vance en vele anderen kunnen hiervan getuigen. Wat juist dan zo hard nodig blijkt, is een significant other. In de woorden van Rubin in de beschrijving van de tiener Chris die een leeftijdgenoot als vriend leerde kennen: ‘[…] iemand die begreep wat hij dacht en voelde, wiens onvoorwaardelijke acceptatie hem sterkte en zijn eenzaamheid verlichtte.’
    Schaamte is de nachtmerrie waaruit je gillend wakker wordt en waarmee je naar Mamaw moet kunnen rennen, zoals Vance: ‘[…] the dream provokes pure terror. The first time I had it, I woke up and ran to Mamaw, who was up late watsching TV. I explained the dream and begged her never to leave me. She promised that she wouldn’t and stroked my hair until I fell asleep again.’

    Gegeven de mensen met wie zij sprak, ligt – zoals Rubin dit noemt – een liveable life binnen de mogelijkheden. Ernstige schaamte-ervaringen zijn het hoofd te bieden, maar dit vereist toch belangwekkende randvoorwaarden. Het mentale ontkoppelen is niet iedereen gegeven en ook niet toe te dienen als een geneesmiddel. Van de twee constanten die Rubin registreert, kan er praktisch alleen enige invloed worden uitgeoefend op het zorgen voor een significant other voor de beschadigde jongeren/volwassenen.  Er zal echter nauwelijks verwacht mogen worden dat dergelijke ‘professionele’ significant others aanwezig zijn als Mamaw of een band met de beschadigden verkrijgen als John D. voor Chris had: ‘Terwijl ik,’ noteerde Lillian Rubin, ‘[Chris] zo over deze vriendschap hoor, valt me op dat het haast klinkt als de beschrijving van een verliefdheid.’

    (ONDER)KENNEN / Hoe de rol van significant other ook wordt gerealiseerd, met zijn of haar aanwezigheid zijn de door schaamte beschadigden nog niet een liveable life aanbeland. Ze hebben er de vernederingen door overleefd. Er moet nog meer en zwaar werk worden verricht. Ook al zijn de schaamte-ervaringen als zodanig niet uit te wissen (ze zijn als in marmer gebeiteld), ze lijken toch draaglijk(er) te kunnen worden door het expliciet onderkennen van de lijdensweg. Dit vereist het afbreken van aan een of meerdere ‘afweermechanismen’, zoals het bagatelliseren of zelfs loochenen of juist idealiseren van de vernederingen: zo erg was het nou ook weer niet; ach, waar hebben we het eigenlijk over; de klappen van mijn vader hebben me goedgedaan. Het stilzwijgen moet doorbroken worden. De schaamte-ervaringen moeten uit de doofpot.

    Het (onder)kennen van de schaamtevolle pijn en bijkomende angst, woede en verdriet is een veeleisend traject. Dit onderkennen blijkt ook niet de eindfase te zijn, maar brengt de beschadigden wel flink op weg naar het verlangde liveable life. Het verder verzachten van de pijn vereist nog meer inspan­ningen dan ‘beetpakken, afstoffen en op een plank zetten’ (zoals ik een informant eens hoorde verwoorden). Al naar gelang de persoonlijke en sociale mogelijkheden is de leefbaarheid verder te vergroten: de actoren waardoor de vernederende ervaringen werden opgedaan, zoveel mogelijk op afstand zetten (bijvoorbeeld door het verbreken van familiebanden); materiële voorwaarden scheppen om te voorkómen ooit nog door wie dan ook op enigerlei wijze beschaamd te kunnen worden; ambitieus presteren en zodoende waarde­ring als het ware afdwingen.

    Voor een professionele bijdrage aan het (onder)kennen van schaamte-ervaringen, zie de webpagina  ‘Verhaal halen’.

    Over mechanismen om (potentiële) schaamte-ervaringen af te schermen van de buitenwacht, zie de column Nepnieuws, zondebokken en andere bliksemafleiders.

    [Deze beschouwing is ontleend aan Schaamrood; Aantekeningen over angst, agressie en ambitie (Haarlem: In de Knipscheer, 2017), waarin ook bronverantwoording.]

     

     

    Social media & sharing icons powered by UltimatelySocial